RFID-technologie gebruikt radiogolven om objecten op afstand te identificeren. Het ontwerp en de werking van het systeem zijn eenvoudig en effectief. Kleine apparaten, bekend als tags, worden aan objecten bevestigd en maken automatische identificatie mogelijk. Een tag bestaat uit een elektronisch circuit met opgeslagen gegevens en een zend-ontvangstantenne. De gegevens worden vastgelegd en gelezen met behulp van radiogolven die worden opgewekt door een RFID-lezer, die over een eigen antenne beschikt en de ontvangen informatie verwerkt.
RFID-tags bevatten een microchip en een antenne, die samen het ontvangen en verzenden van informatie naar een RFID-lezer mogelijk maken. Deze lezers zenden radiogolven uit die de tag activeren en vervolgens de gegevens ervan lezen en decoderen. Deze gegevens kunnen daarna naar een centraal computersysteem worden gestuurd voor verdere analyse. RFID werkt op verschillende frequenties, en de keuze van de juiste frequentie hangt af van de toepassing, het bereik en de werkomgeving.

